Archief van A.V.O.

 

 25 jarig bestaan (deel 2)


Deel II


A: Hallo!      Hallo!      Hallo!
Hier zijn we weer, feestvierend A.V.O.

Lang zullen we niet verzinnen,
We vallen maar met de deur naar binnen.

Het doopceel gaan we lichten
Van de heren met de uitgestreken gezichten.

Eerst komt de voornaamste vent,
Ik doel hier natuurlijk op de president.

Vertel me asjeblieft nog een keer
Het een en ander van deze heer.

B: Kijk, Kees is de spil waar alles omdraait,
De man ook die het ‘t hardste begaait.

De man die de verantwoording draagt
En de vereniging als het ware schraagt.

De bendeleider van het zuiverste soort,
De aanvoerder die met één woord

Zijn club begeestert, zijn club bezielt.
Hij is daarvoor dan ook de grootste fielt.

Bij vergaderingen leidt hij de zaak,
Dat is heus een zware taak.

Vaak moet hij met zijn hamer kloppen
Om een of ander ruzie te stoppen.

Hij is een man met heel veel air,
Bovendien heeft hij de flair

Om zijn club te presenteren;
Het is voor hem een erebaan, dames en heren.

Met de voorzittershamer en in het zwarte pak
Voelt Kees zich echt op zijn gemak.

En heb je er al eens op gelet:
Zijn persoon geeft aan de club, cachet.

En, gelooft nu mij,
Voor niemand gaat Kees opzij.

Behalve als de vrouwen van de leden
Op een avond heel ontevreden,

Bij hem komen protesteren
Over hun respectievelijke heren.

Toen zij eisten, dat hun heren
Voortaan om 11 uur huiswaarts zouden keren;

Toen zij eisten dat hun mannen niet meer zouden plakken
En tot laat in de nacht borreltjes zouden pakken.

Tegen zo’n protest kon Kees niet op,
Heel ontroerd boog hij zijn kop.

Hij zou z’n leden wel bekeren,
Nooit zou hij het nog tolereren.

Dat zoiets nog voor zou vallen
En of het hem lukken zal, betwijfelen we allen.

Een keer verspeelde hij bijna zijn baan,
Toen had heel A.V.O. hem om zijn oren willen slaan.

Dit jaar reden n.l. de A.V.O. dames en heren
Naar Tholen, om paling te consumeren.

Maar onderweg
Klapte opeens de band, zeg.

Maak je geen zorgen had Kees gezegd,
Even het reservewiel er op gelegd.

Maar toen pas kreeg de suffert in de gaten
Dat hij zijn sleutel had thuis gelaten.

Een ere-saluut voor zo’n handige knul,
Nog één keertje Kees, en .... je bent de lul.

A: Maar, als ik vragen mag,
Als op een goede dag

Meneer de president
Plotseling mocht zijn absent,

Wie vervangt dan die man?
Of weet je daar niets van?

B: Nou, dat is in goede handen hoor,
Laat ons vice-president maar effe door.

Dat is een kerel uit één stuk
En op leiding geven is hij tuk.

Al heeft hij niet zo’n reuze air,
Toch is hij reuze populair.

Vice-president: Jan
Is op deze plaats, de juiste man.

Zijn hobby is: ‘n goed diner,
Hij houdt van lekker eten en drinken, hé.

A: Heeft hij: zo gezegd
Geen bijzonder lievelingsgerecht?

B: Nou, ‘t zal niet zijn:
Oesters vindt hij reuzefijn

‘n Moord zou hij gewoon begaan,
Als hij oesters aan de haak kan slaan.

Luistert u eens even,
Dan zal ik u eens een relaas geven

Van een oesterdrama dat onze Jan overkwam
In ons mooie Amsterdam.

Ieder jaar
Gaan de A.V.O.-ers onder elkaar

Een paar dagen uit logeren
En op een keer zouden ze in Amsterdam opereren.

Fijntjes werd er uitgegaan,
Al hun zorgen waren van de baan.

Men ging volop borrelen en toen dineren;
Ja, dat ligt die edele heren.

In de Rode Leeuw waren zij te gast
En .... eerlijk, zij hebben netjes opgepast.

Ze dronken ook een fijne borrel
In het Spinnewiel en de Gerstekorrel.

Toen Tan zijn borreltjes had gehad
Zei hij: “Weet je wat,

Ik moet oesters eten, halen waar halen
Al moet ik er 100 gulden voor betalen,

Oesters zijn heerlijk en fijn,
Ik lust er niet één, maar twee dozijn.”

En jawel, ze kwamen er, hoor,
Twee dozijn werkte Jan er door.

Maar na een tijdje werd hij heel raar,
De oesters kregen ruzie met elkaar.

Ze werden in Jan z’n maag immers zat
Van al dat alcoholische nat.

Ze wilden eruit, begrijp je wel,
Jan verwenste alle oesters in de hel.

Maar op het Thorbecke-plein
Zou de zaak heel vlug beslist zijn.

Daar, tegen een boom
Stond onze Jan, heel ziek en loom

En hij beviel op dat mooie plein
Van mooie oesters, liefst twee dozijn!

Ze lagen daar op dat drukke plein
Te zwemmen in de maneschijn.

Toen de bevalling achter de rug was,
Kwam Jan weer langzaan in zijn sas,

Hij was weer helemaal fit,
Toen ook zijn prachtig kunstgebit

Ook uit zijn mond kwam vallen,
Neen, ‘t oesters eten was Jan niet goed bevallen.

Daar kan Thorbecke over mee vertellen
Toen hij Jan de oesters na zag tellen.

Nu kan het eten je wel eens verkeerd bekomen,
Dat kan de beste overkomen,

Vooral als eerst men borreltjes gaat drinken
En men keer op keer gaat klinken.

Trouwens, Jan moet voor borreltjes op gaan passen,
Daar gaat hij van tegen de linnenkast plassen.

A: Bij wie van de A.V.O.-knapen
Moet Jan op reis wel slapen?

B: Piet Daniëls is zijn vaste maat,
Doch vóór onze Jan dan slapen gaat

Stopt hij zijn sokken weg
Op Toon Antonissens kamer, zeg!

A: Waarom doet hij dat nou?
Ik vind dat toch zo gek, mevrouw.

B: Kijk, u moet weten
Jan zijn voeten kunnen nogal zweten.

A: Ha, zo! Als ik het nu ga samenvatten
Lijdt deze man aan zweetjatten.

B: Juist, en om zelf van het luchtje af te zijn
Stopt hij zijn sokken op Toon zijn kamer, voor de gijn.

A: Nou, dat vind ik collegiaal,
In winst en verlies delen ze allemaal.

Maar .... weet je nog iets over de secretaar?
B: Kom maar op, reken maar!

Ge bedoelt, Willem Gouverneur?
Nou, laat die maar even ‘deur’.

Voor Willem opgepast,
Dat is verdorie ‘n echte kwast.

Zijn notulen zijn geestig, leuk,
Willem houdt niet van geneuk.

Hij zegt altijd waar het op staat,
‘t Is er een die met geen hoekskes of draaikes omgaat.

Hij is ook ‘n echte zakenmam,
Want praten dat hij kan,

Over distributie en belasting kan hij zwammen,
Ge staat ervan te kijken, gatsamme.

Hij heeft een dubbele zaak, moet je weten,
Hij is slager en boekhouder, niet te vergeten.

Maar hij heeft het veel te druk,
Dat is juist het ongeluk.

Hij stikt soms van het chagrijn,
Zijn vrouw vindt dat niet zo fijn.

Maar is de eerste zaterdag van de maand gekommen,
Daar hoor je hem niet zo hard meer brommen,

Want dan is het vergadering van A.V.O.
En dat houdt hem overeind, o zo!

De ene maand is het voor de leden,
De andere maand voor het bestuur, zegt Wim tevreden.

Stiekem is de secretaar
Met A.V.O. goed, reken maar,

Want zijn de heren aan de zwier,
Dan is Wim de leverancier

Van hartige hapjes,
Van worst en ham en varkenslapjes

En daar is voor hem veel aan te winnen,
Nog enige zulke avondjes en Wim is binnen.

Bovendien doet hij er ‘n goed werk mee
Door de lui weer netjes bij te brengen, hé.

Als slager gaat Wim bij z’n klanten veilen,
Dat kan hij goed, beter als dweilen.

Dat moet hij beter leren,
Mijn geachte dames en heren,

Want toen hij op een A.V.O.-avond, na enige gekke streken,
Waarbij een hoed was bezweken,

Aan het dweilen was gegaan,
Liet hij de plassen op de grond staan;

Zijn vrouw dacht, dat dit de meid had gedaan
En sprak haar zodoende over aan.

De meid kreeg de schuld
En Willem .... lachte zich een bult.

Met z’n kop is Wim ‘n acrobaat,
Geen hoed die stil op z’n bolleke staat.

Hij liep in Den Haag een keertje rond
En hij keek of hij daar geen hoedje vond.

Jawel, daar zag hij er eentje staan,
Dat zou hij even kopen gaan.

Hij stapte met enige A.V.O.-ers in de zaak,
Doch stak met ‘t verkoopstertje geweldig den draak.

Wim begon stiekem een oogje te knippen
En liet dan meteen dat hoedje wippen.

Juffrouw, zei hij, als het gaat
Geef me dan een hoedje, dat stil op mijn bolleke staat.

De juffrouw werd kwaad op de schavuiten
En zei: Jullie, boertjes, komen zeker van buiten.

Willem is met zijn vrienden toen maar gegaan
En liet de juffrouw met haar hoedjes stiekem staan.

Toen reisde A.V.O. door naar Amsterdam,
Maar wat Wim de andere dag overkwam

Wil ik nog even memoreren
Toen hij met Tinus naar huis wilde keren,

Stapte hij in de verkeerde trein,
Zodat hij niet op de juiste tijd thuis kon zijn.

Tinus kreeg het al te kwaad,
Hij wist helemaal geen raad.

Hij dacht: we zijn verdwaald,
Ik zie bepaald

Nooit mijn lieve Rietje meer,
Och, dat kind gaat te keer.

Nooit hoor ik geen liedjes meer klinken
Van mijn kanaries en zebravinken.

Maar Wim wist Tinus te troosten, hé,
Hij nam het ventje mee.

Ze gingen eerst lekker eten
En spoedig was alle droefheid vergeten.

‘s Avonds kwamen beide voldaan
In ons Koepelstadje aan.

A: Zeg, ge hebt ‘t daar over Tinus, mevrouw,
Is dat ook ‘n mens?! Vertel het eens gauw.

B: ‘n Mens?! Nee, die telt voor twee,
Dat is wat anders, hé!

Dat ventje lijdt een dubbel leven,
Al zou je hem soms een cent in bewaring geven.

Tinus uit de Stovestraat
Is de man waar A.V.O. mee valt of staat.

Hij is de man van de spie,
Voor geld, ha, daar valt hij voor op z’n knie.

Ja, ge gelooft het misschien niet van mij,
Maar hij doet ook aan afgoderij;

Hij aanbidt twee bekende goden,
Al is dat aan ‘n christenmens verboden

Hij dient de Mammon, heel oprecht
En voor Bacchus heeft hij al veel offers neergelegd.

Houdt Tinus eens in de gaten,
Geregeld ziet ge hem slenteren langs ‘s Heren straten.

Zijn oogskens laat hij overal gaan,
Niks mag ons manneke ontgaan;

Overal heeft hij opgelet,
Hij weet de nieuwkes van A tot Z.

‘s Morgens gaat hij naar ‘t kantoor.
Nou, daar werkt hij ijverig hoor.

Willems en Massar zijn daar z’n maten,
Daar kan hij echt gezellig mee zitten praten.

Maar na 5 uur, is ‘t zijne tijd,
Dan drinkt hij borrels, ja ‘t is een feit,

Ik weet zeker en gewis,
Dat hij het grootste feestvarken is.

En als hij eenmaal met iemand gaat klinken,
Dan gaat meneer, deftige borreltjes drinken.

En wordt het dan wat later,
Dan gaat hij preken als ‘n pater.

Hij wijst de gasten dan op hun plichten,
Voor niemand zal hij dan ook zwichten.

Vervolgens ontbloot hij z’n blanke borst
En oreert dan als een echte vorst.

Ook zijn kuiten gaat hij dan ontbloten,
Daar kan dan ‘t vrouwvolk niet afblijven met d’r poten.

En ondertussen
Doet hij niets dan meisjes kussen.

Toch kom je onder de indruk van z’n speech,
Ja, ja, in Tinuskes schuilt wel iets,

Maar, ge moet weten, hij heeft een voornaam baantje,
Onderhand is hij 25 jaar Vincentius-haantje.

Veel goed heeft hij gedaan, vooral voor z’n eigen.
En over zijn witte sokken, zal ik maar zwijgen.

Ik heb er wel eens iets over gevraagd,
Daar is hij mee uit ‘t klooster gejaagd.

Tinus is ook heel graag vereerd,
In z’n jonge tijd heeft hij nog geprobeerd

Om voor heilige te studeren,
Zijn beeld stond al op de kerkhofmuur, dames en heren.

Als penningmeester schijnen de A.V.O.-ers hem nog niet te vertrouwen,
Ik zeg het je hier maar heel in ‘t vertrouwen.

Tinus had n.l. weer een nieuw costuumpje aan
En dadelijk zijn de A.V.O.-ers er op uit gegaan.

En de heren
Gingen controleren,

Of dat niet uit hun kas was betaald,
De uitslag heb ik nog niet achterhaald.

Trouwens, Tinus moet toch oppassen,
Dat z’hem A.V.O. niet uitjassen.

Laatst moest hij zelfs voor ‘t gerecht,
Heel in ‘t kort gezegd

Kwam het hier op neer,
Hij had een keer

De convocaties verkeerd geschreven.
En dat was er lekker neven,

Want alle leden kwamen te vroeg of te laat.
Wat waren die mannen toch kwaad

En ge moogt gerust weten,
Hij kreeg ze geweldig uitgemeten.

Hij zal nu wel uitkijken voortaan,
Anders zal men Tinuske ontslaan.

A: Maar wie moet dan ‘t geld beheren
En waar blijft men dan met de borreltjes, dames en heren?

B: Och, over de borreltjes zit ik niet in,
Daar ziet de feestcommissaris wel ‘n gatje in.

Die kan zelf nog al wat aan
En hij weet dat elke A.V.O.-er zijn manneke kan staan.

A: Maar vertel eerst is
Wie is die feestcommissaris?

B: Wel Jac Antonissen van de Bosschendijk,
Den dieë uit de villawijk!

A: Is dat die wijk van Kale Kak
Veel geneuk en weinig op zak!

B: Juist, ge hebt het aan het goeië end,
Daar woont die vent, die z’n haren permanent!

‘n Tijd geleden was hij wat kaal
En dat vond Jac zelf voor schandaal.

Toen is hij naar die kapper in Drente gegaan.
Die een middeltje kent ter bestrijding van de volle maan.

Die haren op je kop kan zaaien,
Die zo hard groeien dat ge na een week er krullen in kunt draaien.

A: En is dat bij Jac gelukt?
B: Ben jij nou helemaal benukt,

Dat zou hij wel lussen,
Want stiekem zit hij er mee tussen.

Ik hoor dat hij nog ‘n middel heeft geprobeerd.
A: Hoezo? Heeft hij er wat aangesmeerd?

B: Welneen, men liet z’n hoed vol water lopen
En zo wou Jac er z’n bol in dopen,

Maar zijn Lena was er niet over te spreken,
Die dacht dat ze erin hadden gezeken.

Van alles heeft ze moeten proberen
om dat hoedje weer te fatsoeneren.

Gelukkig bracht ze het voor mekaar.
Maar de andere dag raakte hij weer onklaar:

Lena was met Jac aan ‘t kuieren geslagen
En in de verte naderde een luxe wagen.

‘n Rukwind nam plots de hoed weer mee
En achter elkaar ging het onder die luxe slee.

Leen begon te roepen en te kraaien,
Maar Jac liet dat ding maar stiekem waaien.

Voor A.V.O., mijne dames en heren,
Moet Jac ook de feesten organiseren.

Ook de organisatie van dit festijn
Komt uit zijn heldere brein

(Als uit de gochelaarshoed het witte konijn)
En daar zal men hem zeker dankbaar voor zijn.

‘n Extra borrel mag men hem thans wel presenteren,
Maar, denk erom Jac, dan moet je ook eens proberen

Om kalm te blijven, maak het niet te bont,
Want als je wat typsie bent, ben je net een jonge hond.

Neem een voorbeeld aan de commissaris van orde,
Dan kun je beslist ‘n nette knul worden.

A: Maar .... wie is dat nu weer?
B: Dat is een héél aparte heer, die brengt in de club ‘n fijne sfeer.

Zijn borrels die hij als A.V.O.-er moet consumeren
Weet hij, mijne dames en heren,

Heel rustig en kalm naar binnen te slaan.
Niet één zal hij er echter overslaan.

Raakt Jan,
Zo heet deze man,

Echter zowat aan den ijk
Dan zie je hem gelijk

Heel druk met zijn handen gesticuleren
En dan begint hij te redeneren

En te praten als een advocaat,
Ja, dan moet je hem zien, hoe hij tekeer gaat!

Hij houdt ook geweldig van grappen,
Je moet hem eens moppen horen tappen

En .... eerlijk, die zijn heel vroom,
Ge kunt ze vertellen onder de kerstboom.

Vooral die mop van die naakte nikker met zijn hoge hoed,
Is er een die het goed doet.

En dan van het meisje, dat liet zien,
Je vindt het wel heel vies misschien,

Waar ze werd geopereerd,
En Jan vertelde ze zo gesmeerd.

Maar de mooiste mop zou ik haast vergeten.
Je moet namelijk weten,

Dat Jan op reis naar Amsterdam,
Op een heel aardig ideetje kwam.

Na de eerste reisdag was het uur gekomen,
Dat ieder ging naar ‘t land der dromen.

Jan stapte dus ook met z’n maat
Naar de plaats waar dan ieder henen gaat.

Alles verliep heel gewoon,
Tot onze brave smidszoon

Z’n broekje had uit gedaan,
Toen kon z’n maat wel achterover slaan.

Jan stond daar, wat ik je vertel,
In een prachtig Frans model,

Met reuze brede pijpen,
Waar zijn billetjes onderuit kwamen kijken

En met brede festons eraan,
Nee, je had hem daar moeten zien staan.

A: Maar kan hij nogal orde houwen?
B: Ja, ja, laat hem maar sjouwen.

En als het niet zou gaan,
Ziet hem er dan maar voor aan,

Dat hij de brandweer zou gaan halen
En dan met vele stralen

De A.V.O.-ers zou bespuiten,
Tenminste die schavuiten,

Die niet luisteren willen
En de orde-commissaris maar laten lullen.

Want, denk erom, onze Jan
Is ook brandweerman.

A: Zeg, nou moet je me een antwoord geven,
Welke baan heeft numero 7?

B: Numero 7, ha, dat is de man van het archief.
U zegt misschien: wablief?!

‘n Archivaris, is er die ook al bij?
Ja, neemt dat aan van mij.

Geen vereniging of club zal er zijn,
Waar alles zo verzorgd is en .... zo fijn.

Piet Daniëls, de archivaris
Is tevens de leverancier van kwaaie sigarens.

Ook hij verdient ze dus aan A.V.O.
Daarom geeft hij af en toe ‘n rondje cadeau.

Dat appreciëren natuurlijk de heren
En ze zullen niet protesteren

Tegen die slechte sigaren,
Die hij speciaal voor A.V.O. schijnt te bewaren.

Dat de A.V.O.-ers lief en leed weten te delen,
Wil ik niet verhelen.

Zo deelt men ook in Piet z’n last,
Op vergaderingen mag n.l. deze gast,

Eerst 10 minuten pitten,
Men laat hem dan rustig zitten,

Want Piet moet voor zijn zaken
Nogal een keertje nachtbraken.

Toch is hij geen man van zijn woord,
Vaak heb ik het van hem gehoord:

Om 11 uur ben ik wel thuis,
Maar hij stuurt de hond naar huis.

Neen, het is een echte strop,
Hij geeft de laatste man de zak ook op.

Als A.V.O.-er drinkt hij natuurlijk klare,
Maar steeds weet hij te verklaren:

Ik houd niet van dat bittere nat,
Maar .... toch drinkt Pieter, borrels zat,

Doch hij doet dit vakkundig, geraffineerd,
Hij is er een die regelmatig smeert.

Praten doet hij rustig aan,
Maar laat hem maar rustig begaan.

Als er iets op zijn lever ligt,
Dan houdt hij zijn mond niet dicht.

A: Zeg, Piet mag wel zorgen,
Dat deze uitzending ook in de archieven wordt geborgen.

Maar mevrouw, het wordt al laat,
Zeg eens, wie is de laatste maat?

B: Ho, dat is heel gewoon,
Dat is onze Toon.

Het is gauw verteld,
Hoe het met hem is gesteld!

Hij is bibliothecaris
En drinkt alleen wat klaar is.

Maar je moet er eens op letten,
Je moet er steeds een vraagteken bij zetten.

Tenminste, als het gaat over de trouw
Ja, Toon is de enigste A.V.O.-er zonder vrouw.

Vrouwenvlees zit er wel aan,
Vaak zag ik hem met meisjes gaan.

Maar Toon heeft, denk ik, slechte lijm,
Of hij kent nog niet dat geheim.

Ik probeerde eens met velpon,
Dat is altijd zonder bon.

En dat lijmt alles, is ‘t niet waar?
Dat lijmt zelfs harten aan elkaar.

Toon, verstokte vrijgezel,
Je moet trouwen, dan hebben wij ook ‘n feestje, snap je wel.

Al belooft hij nog geen trouw,
Aan een of andere vrouw,

Aan A.V.O. heeft hij zijn hart gegeven,
Zonder deze club kan hij niet leven.

En al zit hij in de lampjesstad,
Elke maand komt hij naar het Bossche gat,

Om de vergadering bij te wonen
Met de andere A.V.O.-zonen.

Hij stapt bij ‘t reizen voor de gijn
Wel eens in ‘n verkeerde trein,

Maar daar zullen we verder niet over praten
En alles maar blauw, blauw laten.

Even wil ik nog vertellen
Dat Toon overal belang in weet te stellen,

Geen gelegenheid komt er voor,
Of Toon is attent, hoor.

Geen vergadering kan er zijn,
Of een feestje groot of klein,

Of Toon die stuurt een kaart,
Of iets van dien aard.

Hij beleeft het: Als Vrienden Ondereen,
Als zodanig is hij een voorbeeld voor iedereen.

En hier wou ik mee besluiten
En namens al de vrouwen van de schavuiten,

Wens ik A.V.O. nog vele jaren,
Met liters, neen, met vaten vol Oude Klare.

En dat het ieder lid wel mag gaan:
Kom vrouwen, heffen wij allen aan: Lang zullen ze leven (enz ....)

A: Dames en heren,
Ik mocht u presenteren

‘n Televisie/radio-verslag.
Ik zeg u allen: goeden dag.


Copyright © 1998/2016 by A.C.M. Gouverneur. All rights reserved.
Revised: 26 maart 2016.